Verdwijningen in Irak
Irak komt de laatste jaren vooral in het nieuws vanwege de vele bomaanslagen. Minder aandacht krijgt het dagelijkse leven van Irakezen die zich ondanks de aanslagen steeds beter organiseren om op te komen voor hun rechten. Een mensenrechtenschending die vaak voorkomt is gedwongen verdwijningen. Jaarlijks worden duizenden personen vermist. Ontvoerd of vermoord door toedoen van de nationale of regionale overheid, één van de vele milities, Al Qa’ida of legereenheden van de VS. Vaak is onduidelijk in welke hoek de dader moet worden gezocht. Dit maakt het extra moeilijk om te achterhalen wat er is gebeurd. Diverse lokale mensenrechtenorganisaties onderzoeken onder vaak gevaarlijke omstandigheden het lot van verdwenen personen. Ook ondersteunen zij de mensen – veelal vrouwen en kinderen - die achterblijven. De organisaties houden zich bezig met verdwijningen uit verschillende conflicten uit het verleden, afhankelijk van de regio waar ze zich bevinden. Daarnaast strijden ze tegen de vele verdwijningen die momenteel plaatsvinden.
Weblog vanuit Irak
Aim for human rights medewerker Jan de Vries bezoekt met Marjan Stoffers, manager van het Linking Solidarity team, Noord-Irak van 29 november tot 4 december 2007. Namens het programma Linking Solidarity bespreken zij met Irakese mensenrechtenorganisaties hoe Aim for human rights hen kan steunen bij het opzetten van een landelijk samenwerkingsverband over verdwijningen.
Woensdag 5 december 2007 – Honoraire Irakese burgers
Marjan en ik hebben onze driedaagse bijeenkomst afgerond en zijn op de terugweg naar Nederland. We zijn nog steeds wat beduusd door de gebeurtenisvolle dagen. En daarbovenop doodmoe. Het was een ontzettend zware bijeenkomst met veel hoogtepunten en een paar dieptepunten… Maar je moet dalen hebben om de pieken te kunnen waarderen!
De eerste dag was bedoeld om kennis te maken met elkaar en elkaars organisatie. De Irakese organisaties bespraken gezamenlijke onderwerpen waar ze op werken en wisselden belangrijke informatie uit. Allen waren het er over eens dat vertrouwen de basis is van samenwerking. Dit kost tijd, zeker in Irak, maar dag 1 was een goede stap in die richting.
Terwijl de organisaties op eerste dag konden geven en nemen (zoals zij het noemden), bestond de tweede dag vooral uit ontvangen (dachten wij). Het programma bestond uit een presentatie over Irakese wetgeving rond verdwijningen, en uit presentaties van Marjan en mij over verdwijningen in internationale mensenrechtennormen en voorbeelden van andere netwerken bestaande uit familieleden van verdwenen personen verspreid over de wereld.
Wat toen gebeurde was verrassend (in ieder geval voor ons). Aan het einde van de dag, tijdens een discussie over de betekenis en het doel van samenwerking, stond Meneer C. op. Hij zette zijn handen op tafel en zag er wat dreigend uit. In het Arabisch zei hij iets dat het verloop van de bijeenkomst veranderde. De zaal werd stil en de vertaler zei: “Meneer C. zegt dat de reden dat netwerken, waar hij de laatste jaren aan heeft deelgenomen, niet lukten is dat hij had verwacht dat netwerken uit zichzelf werken. Ze mislukten door zijn schuld, omdat hij niet genoeg tijd en energie in het samenwerkingsverband investeerde!”
Dit is niet de opmerking van een minder ontwikkelde persoon. Meneer C. is een zeer hoog opgeleide man, die de pech heeft opgegroeid te zijn in een staat die mensenrechtenorganisaties niet toestond. Men moet zich realiseren dat de Irakezen zich pas kunnen organiseren sinds het omvergooien van Saddam Hoessein, en dan nog werken zij onder uiterst vijandelijke omstandigheden.
Dag 2 eindigde niet, zoals gepland, om 18:30 uur. In plaats daarvan besloten de organisaties na de opmerking van C. om een pauze in te lassen. Wij werden gevraagd of we het erg vonden de zaal te verlaten (zonder ons te willen beledigen). Dit deden we en later hoorden we dat de discussie over het nut van samenwerking en netwerken doorging tot half twaalf ’s nachts!
Op de laatste dag dachten wij dat onze rol beperkt zou zijn. Maar toen (gelukkig!) besloten was dat er inderdaad een netwerk zou komen, en er overeenstemming was over de naam, coördinator en lange termijn doelen, waren de organisaties klaar om middellange termijndoelen te bespreken. Deze discussie werd zeer emotioneel en bemoeilijkt door misverstanden over het verschil tussen strategieën, doelen en activiteiten (zoals altijd overal gebeurt met dit soort discussies).
Marjan en ik werden uitgeroepen tot honoraire Irakese burgers en mochten in die rol met de organisaties meedenken over de onderwerpen. Dit was eervol, maar, onder de omstandigheden, ook nogal zwaar. We werden betrokken bij complexe en urenlange discussies, waarbij onze mening werd gevraagd en meegenomen in de meningsvorming. Soms waren de organisaties het met ons eens en soms niet. De lange overleggen waren uitputtend, maar we bleven alert en wakker doordat langzamerhand bleek dat iedereen zich in dezelfde richting begaf.
Het resultaat van de bijeenkomst? Er is formele overeenstemming over de middellange en korte termijn doelen en een serie gezamenlijke activiteiten op het thema gedwongen verdwijningen. Maar we moeten geen fouten uit het verleden herhalen. De mensenrechtenorganisaties die deelnemen aan het netwerk en de coördinator moeten daadwerkelijk activiteiten gaan uitvoeren en de toegevoegde waarde van samenwerking laten zien. Dan pas kunnen we het succes van de bijeenkomst evalueren. Wij, van het programma Linking Solidarity van Aim for human rights, zullen de organisaties zoveel mogelijk helpen bij het bestrijden van verdwijningen.
Zondag 2 december 2007 - Who wants to be a millionaire?
“Bedankt voor je presentatie. Wie heeft er een vraag?” Meneer A. steekt zijn hand op. “Zegt u het maar”. Meneer A. kijkt naar de spreker. “Ik wil alleen maar zeggen dat ik geen vraag heb.” Irakezen houden ervan om elk denkbaar onderwerp te bediscussiëren. Ze drukken hun mening, soms erg luid, met veel passie uit.
We zijn hier voor een driedaagse ontmoeting met Irakese mensenrechtenorganisaties. De organisaties zijn afkomstig van verschillende delen van Irak en hebben vaak brede doelstellingen en heel diverse thema’s. Eén van de onderwerpen waar ze allemaal op werken is gedwongen verdwijningen. De NGO’s werken op verschillende vormen van ‘verdwijningen’ uit verschillende periodes van de geschiedenis (zoals de Iran-Irak oorlog, Al Anfal (de genocide in Koerdistan), de Eerste Golfoorlog, de dictatuur van Saddam Hoessein, de Tweede Golfoorlog, en het geweld sinds Saddam Hoessein’s regime omvergeworpen is).
De organisaties werken voor verschillende slachtoffers. Deze slachtoffers zijn natuurlijk de verdwenen personen zelf (o.a. soldaten, Koerdische mannen, ontvoerde meisjes, politieke gevangenen, gewone burgers die werden ontvoerd en misschien gedood). Maar ze komen ook allemaal op voor een ander soort slachtoffers: namelijk de families van de verdwenen personen. Dit zijn vaak vrouwen en kinderen. De NGO’s helpen hen door het verschaffen van eerste levensbehoeften en/of basis vaardigheidstrainingen.
De organisaties die Marjan en ik ontmoeten hebben verschillende werkwijzen: ze documenteren verdwijningen, zoeken verdwenen personen door gevangenissen te bezoeken en, in sommige gevallen, openen massagraven. Daarnaast lobbyen ze voor betere wetgeving en voor implementatie van bestaande wetten en vragen ze aandacht voor onderwerpen gerelateerd aan verdwijningen.
Het grootschalige vóórkomen van verdwijningen wordt gezien als één van de grootste problemen voor de huidige Irakese samenleving. Het heeft delen van de samenleving ontwricht in het verleden en doet dat steeds meer. Een belangrijk aspect is dat het familiepatronen raakt. Hierdoor zal het nog lange tijd een uitwerking hebben op de Irakese maatschappij.
Wat ons opvalt is dat de regering steeds meer eigen taken neerlegt bij de organisaties, alsof deze het niet al druk genoeg hebben. De regering draagt bijvoorbeeld gevonden lichamen over aan NGO’s om te registreren. Vervolgens worden ze belast met het identificeren van de overblijfselen, ofwel zelf of door familieleden op te sporen.
Een ander voorbeeld van de teruggetrokken overheid is dat NGO’s vaak humanitaire basistaken op zich nemen, zoals het verschaffen van eten en kleding en onderwijs voor vrouwen en kinderen. Dit is op zichzelf niet verkeerd, maar de erkenning dat de regering deze taken helemaal niet uitvoert, zorgt voor een zware verantwoordelijkheid bij de toch al overbelaste organisaties.
Aangezien de situatie van de bevolking in de praktijk niet verbetert (behalve, in beperkte mate, de veiligheidssituatie) geven de mensen steeds vaker de schuld aan NGO’s omdat die hun werk niet goed zouden doen. Langzamerhand beginnen ze hun vertrouwen in de organisaties te verliezen, terwijl ze het natuurlijk eigenlijk de regering kwalijk moeten nemen (en in bepaalde mate de VS).
Deze problemen worden verergerd door de Amerikaanse betrokkenheid, die steeds meer als erg negatief wordt gezien. Er zijn veel factoren die hieraan bijdragen, zoals de lange lijst met mensenrechtenschendingen door Amerikaanse troepen en de complete straffeloosheid voor Amerikanen die mensenrechten schenden in Irak. Deze onschendbaarheid is zelfs in de Irakese wetgeving doorgevoerd. Deze dicteert dat een Amerikaans staatsburger nooit kan worden gearresteerd, onderzocht en vervolgd voor misdaden gepleegd in Irak. De Irakese organisaties noemen deze onderwerpen voortdurend en zien ze als grote obstakels voor een meer vredig en rechtvaardig Irak.
Dit zijn de onderwerpen waar de organisaties het over eens zijn tijdens de driedaagse bijeenkomst. En dat is bijzonder omdat ze, zoals ik eerder al opmerkte, over bijna alles kunnen discussiëren...tot in het extreme toe.
Meneer S. vraagt me voor de vijfde keer: “Heeft Irak de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens getekend?” Ik herhaal iets minder geduldig dat een staat de Verklaring niet tekent, maar accepteert door lid te worden van de Verenigde Naties: het is een overeenstemmingdocument tussen staten en is onderdeel geworden van het gewoonterecht. S. haalt diep adem en begint de vraag te herformuleren in het Arabisch. Voordat hij zijn zin heeft beëindigd en de vertaler kan zeggen wat hij vroeg (alsof ik dat niet weet), onderbreekt A. hem, eveneens in het Arabisch. Onmiddellijk ontstaat een discussie tussen zo’n tien personen (even heb ik het idee dat ze met elkaar op de vuist gaan). Voor de vertaler uitleg kan geven wordt een telefoon op ‘speaker’ functie gezet. Een stem uit Tikrit spreekt. Een andere deelnemer, Meneer N., heeft zijn neef gebeld, een professor in Internationaal Recht, om hem te vragen zijn mening te geven. Hem werd gevraagd of Irak de Universele Verklaring nog moet tekenen. De Irakezen grappen erover dat het lijkt op een hulplijn bellen in “Who wants to be a millionaire?” Dus wie wint het miljoen? De professor in Tikrit is het (gelukkig) met mij eens. De discussie is voorbij. N. claimt het miljoen, maar stiekem tel ik mijn geld al…
Zaterdag 1 december 2007 - Niet de beste van alle mogelijke werelden
Gisteren reden we in Erbil over ongeasfalteerde wegen langs enorme bouwputten. We passeerden twee geïmproviseerde voetbalvelden. Langs de kant was een groepje jongetjes zich aan het omkleden. Op de velden speelden jongens een serieus potje voetbal. Ondertussen was onze gastheer, meneer M., druk bezig met bellen op twee verschillende telefoons. Hij keek bezorgd en, van tijd tot tijd, duidelijk opgelucht.
M. was nerveus voor twee redenen. Hij was ten eerste verantwoordelijk voor het uit heel Irak bij elkaar brengen van zo’n 20 mensen van verschillende Irakese NGO’s. Zij zouden ons, en veel belangrijker, elkaar ontmoeten om te praten over gedwongen verdwijningen. Hiervoor zijn Marjan en ik 6 maanden geleden naar Irak gereisd. Wij faciliteren een driedaagse bijeenkomst van mensenrechtenorganisaties die werken op verdwijningen. Doel van de meeting is om te bekijken of deze NGO’s samen willen gaan werken op dit onderwerp. Er zijn vele vormen van samenwerkingsverbanden, dus zal ook onderzocht moeten worden welke ze in de toekomst willen.
Marjan en ik zullen daarnaast uitleggen wat Aim for human rights voor ze kan betekenen als de organisaties nauwer willen gaan samenwerken. We zullen vertellen welke netwerken wij al kennen en steunen en hoe deze organisaties door meer samenwerking effectiever zijn geworden. Ten slotte geven we op verzoek van M. ook een presentatie over internationale mensenrechtennormen rond verdwijningen.
M. was nerveus, omdat hij zich verantwoordelijk voelde voor het slagen van de bijeenkomst (en toegegeven, een bijeenkomst zonder deelnemers zou wat tegenvallen). Een dergelijk overleg organiseren in Nederland levert eveneens stress op, omdat je niet weet of de treinen op tijd rijden of mensen vast komen te zitten in files. Maar in Nederland hoef je bijna nooit bang te zijn dat deelnemers de reis niet overleven. In Irak is dit wél nog steeds onzeker. En daarmee de tweede reden voor M’s bezorgdheid
De driedaagse bijeenkomst begint morgen (zondag), maar de meeste deelnemers zijn vandaag gearriveerd. We hebben ze dus al gesproken. Een eerste bevinding is dat ze allemaal redelijk positief zijn over de veiligheidssituatie. Het is duidelijk dat de situatie sterk verbeterd is in de afgelopen zes maanden, vooral in Baghdad. Maar er zijn nog steeds steden waar het minder goed gaat (Kirkuk, Mosul, Najaf) en natuurlijk is het allemaal relatief.
De verbeterde veiligheidssituatie heeft een paradoxaal resultaat. Toen het nog erg gevaarlijk was konden NGO’s hun werk doen zonder veel overheidsbemoeienis. Natuurlijk werden ze sterk beperkt door de gevaren op de grond, maar ze konden wel hun gang gaan zonder veel last te hebben van de regering. In sommige gevallen zag de overheid de organisaties zelfs als een goede vervanging en kregen ze taken naar zich toe geschoven die normaal gesproken gedaan worden door de regering.
De situatie is nu minder gevaarlijk geworden, waardoor de regering zich kan concentreren op andere zaken dan veiligheid. Helaas hebben ze daarbij besloten de vrijheid van NGO’s te beknotten. De organisaties vertelden ons dat de overheid zich direct bemoeit met hen en onafhankelijke NGO’s begint te verbieden. In de toekomst zullen alleen organisaties die verbonden zijn met politieke partijen nog mogen bestaan.
Een ander vreemd fenomeen, dat ons bij ons bezoek in juli ook al opviel, is de grote hoeveelheid Amerikaanse organisaties in Irak. We merken dat deze organisaties een enkel format hebben voor organisatiestructuren en hoe ze dienen te werken. Dit format passen ze rechtstreeks toe op Irakese organisaties, netwerken en democratie, wat mij niet de beste manier van werken lijkt.
Twee dagen geleden zag ik PSV met 2-0 Excelsior verslaan. De volledige wedstrijd werd uitgezonden op Jemense televisie (!). De wedstrijd is een week geleden gespeeld en was ontzettend slecht en saai. Hopelijk hebben de jongens die zich gisteren omkleedden de wedstrijd niet gezien. Ze zouden kunnen denken dat dit de beste manier is om te voetballen, omdat Europese teams zo spelen. Ik hoop maar dat ze in plaats daarvan een voorbeeld nemen aan het Irakese nationale team, en op Irakese manier proberen te voetballen.
Donderdag 29 november 2007 - Ze zitten ook overal
Nederlanders hebben de gewoonte om hun landgenoten in de meest afgelegen plekken op aarde te ontmoeten. Of het nu is op de rug van een olifant in Nepal of in de jungle van Bolivia, we verbazen ons nergens meer over. We accepteren het als we elkaar weer eens tegenkomen, klagen samen over het weer en vergelijken prijzen.
Maar de ontmoeting die we op het vliegveld in Amman, Jordanië, hadden met een Nederlander was anders. We moesten 5 uur wachten op onze vlucht naar Erbil in Irak en bespraken onze reis, toen plotseling een (lokaal uitziende) man in het Nederlands tegen ons begon te praten. Het bleek een Irakese vluchteling te zijn die meer dan 10 jaar in Nederland had gewoond. Dit was de eerste keer dat hij terugkeerde om zijn familie in Suljemania te bezoeken. Hij vertelde niet te weten wat hij zou aantreffen in zijn vaderland. Samen met hem reisden we naar Erbil, een stad waarvan we hem konden vertellen hoe de veiligheidssituatie was. Het was voor ons het tweede bezoek in 6 maanden.
'Irak' is voor veel mensen synoniem met geweld, ontvoeringen, videobanden met boze mannen met doeken en zwaarden, bermbommen en ellende. Toen wij zes maanden geleden Erbil bezochten, zagen we voor de eerste keer een andere kant van Irak. We hoorden van het lijden van de Irakese bevolking (waarop in de Westerse media niet altijd de focus ligt), maar ontmoetten ook vele ongelofelijk moedige, ambitieuze en dynamische mensen die zich op hun eigen manier inzetten voor vrede in Irak: door op te komen voor mensenrechten voor alle Irakezen.
Tijdens onze eerste reis bezochten we in het donker de eeuwenoude citadel, liepen we door de levendige Soukh, onderhandelden we voor augurken (trouw aan onze cultuur) en bekeken we de grootste moskee om 11 uur 's avonds. Dit konden we doen binnen bepaalde veiligheidsnormen en met wat nerveuze blikken onze kant op. Ons werd op het hart gedrukt niet alleen naar buiten te gaan, dichtbij de auto of onze gastheer te blijven en zeker niet te lang op openbare plekken te verkeren.
Maar ondanks de vele veiligheidsmensen en geweren merkten we niets van geweld en voelden we ons niet bedreigd. De stad, Erbil, was daarmee een uitzondering in Irak. Een veilig toevluchtsoord voor Irakezen en een handvol buitenlanders.
Bij ons eerste reis naar Irak verwezen familie en vrienden ons rechtstreeks naar een psychiatrische inrichting. Zelf wisten we ook niet wat we zouden aantreffen. We waren opgewonden en doodsbang tegelijk. Bij dit tweede bezoek zijn we minder bang en meer enthousiast (hoewel niet alle ouders er gerust op zijn). We merken een grote verandering. Het voelt veiliger en er is meer ruimte om je te bewegen.
Een dergelijke verandering kun je natuurlijk in de statistieken zien (minder doden, minder verdwenen personen), maar veel duidelijker zijn de kleine dingen hier in Erbil: we konden meer door de stad lopen, Marjan kon alleen in de auto blijven zitten terwijl ik mijn broek ter reparatie bracht, we konden rondkijken in het Christelijke deel van de stad. En op geen enkel moment voelden we ons onveilig of zagen we nerveuze ogen op ons gericht.
Marjan Stoffers en ik, Jan de Vries, werken voor het Aim for human rights programma Linking Solidarity, dat zich bezighoudt met gedwongen verdwijningen. Wanneer je een land als Irak bezoekt om met mensen te praten over verdwenen personen krijg je nooit een rooskleurig beeld. Dat ligt in de aard van ons werk.
Maar een half jaar geleden ontmoeten we 12 mensen van verschillende organisaties afzonderlijk van elkaar, terwijl we nu met 20 organisaties tegelijk rond de tafel zitten. We gaan bekijken of we gezamenlijk kunnen werken op het onderwerp verdwijningen. De nieuwe motivatie en dynamiek heeft mensen energie gegeven om verder te gaan.
Deze groep Irakezen lijkt representatief voor de meerderheid van de bevolking hier. Het is deze houding die zorgt voor een positief gevoel. Begrijp me goed, er is nog veel mis in Irak, maar het voelt zo veel beter!
Dankzij de opnieuw verworven vrijheid kan de Nederlandse Irakees die we ontmoet hebben terug naar zijn familie. En we spraken met hem niet over het weer (okee, misschien even dan) of de prijzen, maar wensten hem een veilige reis naar zijn familie. Hopelijk kan hij deze reis met nog meer vertrouwen vaker maken in de toekomst.
De komende week zullen wij veel nieuwe mensen en oude vrienden spreken. We hopen dat ons positieve gevoel bevestigd blijft.
Zie voor meer informatie over gedwongen verdwijningen de themapagina.


